vrijdag, maart 30, 2012

Christelijk leiderschap - John Stott

John Stott is al lange tijd één van mijn favoriete schrijvers omdat hij in staat is complexe thema’s eenvoudig te verwoorden en in duidelijke taal een standpunt neerlegt, dat in staat is te overtuigen en ondanks de diepgang ervan relatief eenvoudig te begrijpen is. Daarbij gaat Stott geen controversieel thema uit te weg, hij lijkt ze zelfs op te zoeken, en hij legt vervolgens gezaghebbend uit wat de Bijbelse visie erop is.

In dit boek stelt Stott wederom niet teleur. Het is eenvoudigweg een briljant boek. Het boek draagt de titel “Christelijk leiderschap”, is redelijk kort (110 pagina’s) en gaat eigenlijk helemaal niet zo heel veel over leiderschap. Wat Stott doet is vooral beschrijven wat de kerk is, welke visie de kerk zou moeten hebben op de Drie-eenheid, de Heilige Geest en de Bijbel en als hij dat heeft gedaan vloeit daar vrij automatisch een visie op leiderschap uit voort, passend bij hetgeen hij daarvoor heeft beschreven. Stott beschrijft leiderschap niet als iets autonooms dat los van het wezen van de christelijke gemeente beschreven kan worden, maar als iets dat daaruit voortvloeit. Daarmee voorkomt hij dat hij modellen van leiderschap beschrijft die afbreuk zouden doen aan het wezen en het doel van de gemeente. Dat gevaar dreigt wanneer leiderschap als zelfstandig element wordt beschreven; dan ligt de focus op de leider. Maar de kerk is er niet voor de leider; de leider is er voor de kerk. Daarom besteed Stott alleen de laatste 20 bladzijden van zijn boek aan “modellen voor de bediening” en de andere bladzijden aan diverse cruciale thema’s.

Wat Stott doet lijkt daarmee op wat Bilezikian doet in een boek dat ik eerder besprak. Ook Bilezikian verdiept zich eerst in de betekenis van eenheid en gemeenschap, de betekenis van het offer van Jezus, de verlossing aan het Kruis en het doel van de gemeente dat daaruit voortvloeit. Pas in het derde deel van het boek gaat Bilezikian dan in hoe de leiders van de gemeente zich moeten gedragen – namelijk door de uitgangspunten van de gemeente te versterken en te ondersteunen en dit aan de gemeenteleden voor te leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat beide auteurs de nadruk leggen op dienend leiderschap: ten dienste van het evangelie, in dienst van de Allerhoogste, de gemeente dienend, dienstbaar aan Gods kudde. Geen ruimte voor ego’s dus!

Dit boek is opgebouwd langs de lijn van de eerste vier hoofdstukken van de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs. In feite zou je dit boek kunnen zien als een thematisch commentaar op dit deel van de eerste brief aan de Korintiërs. In deze vier hoofdstukken van de brief worden volgens Stott vijf thema’s beschreven die samen het fundament zijn voor een Bijbels visie op leiderschap, zoals dat ook door Jezus werd uitgelegd en uitgeleefd.

Thema 1: de tweeslachtigheid van de kerk (1 Korintiërs 1:1-17)
Het eerste thema is meteen heel actueel, namelijk het spanningsveld tussen wat de kerk zegt te zijn (het goddelijke ideaal: de bruid van Christus) en wat ze lijkt te zijn (de menselijke realiteit: de zondige, twistzieke, banale christelijke gemeenschap).
In de eerste verzen van dit hoofdstuk noemt Paulus zich een apostel van Christus, die schrijft aan de gemeente van God in Korinte. Dat zijn eervolle kwalificaties. In het Nieuwe Testament wordt verwezen naar apostelen (afgezanten) van gemeenten en apostelen van Christus. Paulus noemt zichzelf apostel van Christus, en Stott beschrijft deze apostelen als een bijzondere groep mensen met drie eigenschappen:
  • persoonlijk uitgekozen, geroepen en aangesteld door Jezus zelf
  • ooggetuige van de historische Jezus (ook Paulus, zie 1 Korintiërs 15:8-9)
  • de belofte ontvangen dat zij in het bijzonder geïnspireerd zouden worden door de Geest van de waarheid.
Door deze drie kenmerken konden deze apostelen van Christus met gezag optreden en waren ze geschikt als auteurs van het Nieuwe Testament. Zij schreven hun woorden niet namens zichzelf of namens de kerk, maar ze schreven aan de kerk uit naam van Christus. Daarom mogen we deze teksten beschouwen als het Woord van God. Vandaag de dag zijn er misschien mensen met een apostolische bediening, maar zeker geen apostelen van Christus meer. Daarom kunnen er ook geen woorden aan het Nieuwe Testament worden toegevoegd.
Paulus noemt de gemeente van Korinte de gemeente van God. Deze kleine groep mensen in een heidense stad, vol tempels met afgoden en een losbandig leven, vormden de goddelijke gemeenschap temidden van de aardse gemeenschap. Daarom is er een tweeslachtigheid in de gemeente: in de plaats van functioneren (aarde en hemel) en in de heiliging (de bestaande en de toekomstige, “geheiligd door Christus” en “geroepen om zijn heiligen te zijn”). We leven tussen twee tijdperken in, tussen de komst van Christus en zijn wederkomst, tussen het bestaande en het komende Koninkrijk.
In het vervolg van het eerste hoofdstuk doet Paulus drie dingen:
  1. Hij groet de gemeente en benadrukt haar heiligheid (1 Korintiërs 1:1-3). De gemeente is nu al heilig, maar ook nog niet: zij wordt geroepen tot heiligheid. En dat geldt voor allen die tot de gemeente behoren, waar dan ook.
  2. Hij dankt God voor de gemeente en benadrukt de gaven die de gemeente ontvangen heeft (1 Korintiërs 1:4-9). Ondanks de vele tekortkomingen van de gemeente begint Paulus positief, hij is dankbaar voor de gemeente en benadrukt dat de gemeente buitengewoon veel genade ontvangen heeft en rijk is in Christus. Toch ziet de gemeente vol verlangen uit naar de komst van Christus; de gemeente is dus volmaakt maar toch ook weer niet.
  3. Hij doet een beroep op de gemeente met nadruk op het begrip ‘eenheid’(1 Korintiërs 1:10-17). Het derde dualistische element is dat de gemeente een eenheid is, maar toch verdeeld. Daarom roept Paulus de gemeente op om één te zijn, en hij doet dat in de naam van “onze Heer Jezus Christus”, oftewel de Naam die alle christenen aanroepen. Het blijkt dat de gemeente verdeeld was geraakt door persoonsverheerlijking en door trots. Paulus stelt een aantal suggestieve vragen die allemaal met “nee” beantwoord moeten worden: is Christus verdeeld, is Paulus gekruisigd, bent u in de naam van Paulus gedoopt? De verdeeldheid in Korinte zou aantasting van de essentiële punten van het evangelie tot gevolg hebben, namelijk de ontkenning van het feit dat er slechts één Christus is, die voor ons gekruisigd is en in wiens naam we gedoopt zijn. Als de kerk verdeeld is, wordt dit alles op het spel gezet. Het gaat er immers niet om door wie je gedoopt bent, zoals de Korintiërs zeiden, maar in wiens Naam je bent gedoopt. Wie er doopt is onbelangrijk, zoals Paulus ook aangeeft.
Kortom, christenen zijn geen perfectionisten die dromen van een volmaakte kerk op deze aarde. Hoewel de zoektocht naar echtheid en zuiverheid in de kerk terecht is. Toch kan niemand die bewerkstelligen, het zal pas ontstaan bij de wederkomst van Christus. Maar christenen zijn ook geen defaitisten, die allerlei dwalingen en misstanden in de kerk zomaar dulden. Zonde en dwaling in de kerk moet onderkend worden en niet getolereerd. Deze zaken mogen niet vergoelijkt worden. We leven in het moeizame spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’. Pas bij de wederkomst van Christus zal het ideaal werkelijkheid worden en alle twijfel ophouden te bestaan.

Thema 2: Kracht door zwakheid (1 Korintiërs 1:18 – 2:5)
Samen met de teksten in 2 Korintiërs 4:7 en 12:9 maakt Paulus acht verwijzingen naar het woord ‘kracht’: de kracht van God, de kracht van Christus, de kracht van het kruis en de kracht van de Geest. De verwijzing naar kracht en macht is actueel en het wordt overal in de wereld nagestreefd: in de politiek, in conflicten, in het zakenleven en helaas ook in de kerk (machtsstrijd in de hiërarchie, tussen gemeenschappen en op de kansel). Stott is huiverig voor de hedendaagse evangelische honger naar macht en naar de kracht van de Heilige Geest. Gaat het dan om de kracht om te getuigen, de kracht om in nederigheid dienstbaar te zijn of is het toch een dekmantel voor persoonlijke ambitie, voor het ego, voor het kunnen manipuleren, indruk maken en overheersen? Daarom staat het Nieuwe Testament vol waarschuwingen voor het gebruik en misbruik van macht. Jezus legt de nadruk op nederigheid en dienstbaarheid bij leiderschap (Marcus 10:42 e.v.). Het centrale thema van de brieven aan de Korintiërs is dan ook ‘kracht door zwakheid, goddelijke kracht door menselijke zwakheid’.
Paulus behandelt drie voorbeelden van dit principe:
  • Kracht door zwakheid in het evangelie zelf (1 Korintiërs 1:17-25). Want de zwakheid van het kruis is de kracht van God. Paulus kiest voor het beeld van het kruis in plaats van maatschappelijke filosofie en welsprekendheid om zijn boodschap te brengen. De mens kan uit zichzelf niet tot God komen. Ten eerste is God eeuwig en zijn wij sterfelijk. Ten tweede is God heilig en wij zondaars. Maar God nam het initiatief om te doen wat mensen niet kunnen, namelijk de kloof tussen Hem en ons overbruggen. Het heeft God behaagd door de dwaasheid van het evangelie gelovigen te redden. Paulus wijst erop dat de mensheid wonderen (macht) zoekt of wijsheid, in feite de afgoden van deze tijd. Maar er wordt een gekruisigde Christus verkondigd, een struikelblok voor hen die macht verlangen omdat de machtigen zichzelf kunnen redden. Het kruis laat zien dat dat onmogelijk is. Het kruis is ook een dwaasheid voor de wijzen, de intelligentsia kan het niet bevatten. Maar voor gelovigen is het de kracht van God (Hij verlost mensen die dat zelf niet kunnen) en de wijsheid van God (God lost ons probleem op, maar ook dat van Zichzelf: nu is Hij én rechtvaardig (Hij straft het kwaad), én een Verlosser).
  • Kracht door zwakheid in de mensen in Korinte die zich bekeerd hadden (1 Korintiërs 1:26-31). Want God had zwakke mensen uitgekozen om de sterke te beschamen. God kiest zwakke en onbeduidende mensen uit, geen mens kan zich tegenover God op iets beroemen (vers 29). Zoals in vers 30 staat: doordat Christus onze wijsheid is geworden, worden wij rechtvaardig (het verleden), heilig (het heden, onze heiliging) en verlost (de toekomst, onze verheerlijking). Dit alles wil niet zeggen dat God geen mensen verlost die welgesteld of in sociaal opzicht vooraanstaand zijn; Paulus zelf is een voorbeeld van zo iemand. Maar als de sterken verlost willen worden, zullen ze hun zwakheid moeten erkennen, want anders kan Gods genade hen niet bereiken.
  • Kracht door zwakheid in Paulus de evangelist (1 Korintiërs 2:1-5). Want de boodschap bewees zich “door de kracht van de Geest”. Paulus ging niet prat op wijsheid, gezag en macht. De culturele achtergrond van Korinte was echter dat retorica, het gebruik van welsprekendheid en bloemrijk taalgebruik, het liefst in openbare debatten, populair was. Maar Paulus wees dit af, hij gaf toe dat hij bang was en vertrouwde slechts op de kracht van God. De Heilige Geest neemt de woorden van de evangelist en brengt ze met kracht over in het hart, de ziel en de wil van de toehoorders, zodat ze zien en geloven. Dit betekent niet dat discussiëren verboden is of je je talenten niet mag aanspreken, maar het is de erkenning dat d mens geen zielen kan redden. Slechts de kracht van God kan dat.
Christenen hebben kortom een krachteloze boodschap (de gekruisigde Christus), verkondigd door zwakke predikers aan zwakke toehoorders (de maatschappelijk verguisden). Door deze drievoudige zwakte wordt de kracht van God gedemonstreerd. Christelijke leiders die in deze wereld nodig zijn weten dat de kracht van God niet met veel machtsvertoon naar voren gebracht wordt, maar dat deze getoond zal worden in hun zwakheid. Voor de volwassen christen is dat wijsheid.

Thema 3: De Heilige Geest en de Heilige Schrift (1 Korintiërs 2:6-16)
Dit gedeelte beschrijft de samenhang tussen de Geest en het Woord, tussen de Heilige Schrift en de Heilige Geest. De Heilige Schrift is eigenlijk het scheppende product van de Heilige Geest.
Deze passage begint met een uiteenzetting over wat wijsheid is. Er is één evangelie, de boodschap van de gekruisigde Christus, en elke christen kan volwassen worden in de wijsheid van God. Volwassenen in het geloof doorgronden de volheid van Gods reddingsplan, niet alleen het goede nieuws van de rechtvaardiging maar ook de verheerlijking. In een christelijke opvoeding, de volwassenwording, komt naar voren wat het kruis in zijn totaliteit met zich meebrengt. De machthebbers van deze wereld kennen die wijsheid niet. Want het menselijk verstand raakt de draad kwijt als het op zoek is naar God.
Binnen deze context geeft Paulus een uiteenzetting over de bediening van de Heilige Geest als bewerker van de goddelijke openbaring. de Geest wordt in vier fasen gepresenteerd: zoekend, openbarend, inspirerend en verlichtend. Hiermee wordt het verband tussen de Heilige Geest en de Heilige Schrift beschreven.
  • Zoekend (1 Korintiërs 2:10b-11). De Geest doorzoekt de diepten van God en kent Gods gedachten. De Geest is permanent op zoek, steeds de oneindigheid van God aan het onderzoeken. Maar de Geest doorgrondt ook alles, de Heilige Geest wordt op één lijn gesteld met het goddelijke eigen inzicht en begrip. Niemand kan God begrijpen dan God zelf. Alleen God kent God. De Heilige Geest heeft dus een uniek inzicht in God. Wat heeft de Geest vervolgens gedaan met deze kennis? Hij heeft die geopenbaard.
  • Openbarend (1 Korintiërs 2:10a, 12). Paulus benoemt dat de apostelen (het woordje “wij” in vers 12 verwijst evenals vers 10 specifiek naar de apostelen) Gods Geest hadden ontvangen om het heil te kunnen begrijpen. Zij konden dit dus verklaren, de schrijvers van de Bijbel konden op deze manier God en zijn verlossende werk leren kennen.
  • Inspirerend (1 Korintiërs 2:13). De apostelen spreken over wat zij hebben ontvangen. De zoekende Geest, die Gods verlossingsplan aan de apostelen openbaarde, maakt het vervolgens via hen aan andere mensen bekend. Gods waarheid is bedoeld om met anderen gedeeld te worden. Dat gebeurt “zoals de Geest het ons leert”, door mechanische inspiratie dus. Mechanische inspiratie wil niet zeggen dat er geen achterliggende, diepere betekenis aan de woorden in de Bijbel zit (afhankelijk van de gekozen stijlfiguur). Mechanische inspiratie is ook niet hetzelfde als woord voor woord dicteren, elke auteur in de Bijbel had zijn eigen woordgebruik en literaire stijl en behandelde sommige onderwerpen met nadruk. Deze eigenschappen werden niet ontkracht door het inspiratieproces. De openbarende God heeft de persoonlijkheid van menselijke auteurs niet verstikt. Mechanische inspiratie betekent ook niet dat elke Bijbeltekst ook uit zijn verband gerukt nog waar is (zoals de teksten van de tegenstanders van Job), maar wel dat waar is wat de Bijbel met nadruk stelt. Mechanische inspiratie betekent dus dat de woorden die de Heilige Geest door middel van de Bijbelse auteurs tot ons deed komen (waarbij het literaire genre, de eigenlijke fundamentele betekenis, de intentie van de schrijver en de context waarin ze voorkomen in ogenschouw moeten worden genomen) waar zijn en zonder enige onvolkomenheid. Het dubbele auteurschap van de Heilige Schrift en de betekenis van inspiratie is dat de Geest van God zijn boodschap overbracht door gebruik te maken van de woorden van de apostelen, zodat hun woorden tegelijkertijd die van Hem waren.
  • Verlichtend (1 Korintiërs 2:13b-16). De Heilige Geest is ook werkzaam in de mensen die de brieven ontvangen en lezen. In feite staat aan het eind van vers 13 dat geestelijke waarheden worden verklaard aan hen die de Geest bezitten. Daarmee is verlichting iets anders dan openbaring: verlichting is het wegnemen van bedekking aan de kant van de ontvanger, openbaring is het zorgdragen dat de boodschap wordt uitgezonden (ook al kan de ontvanger het nog niet begrijpen). Het maakt volgens de verzen 14 en 15 groot verschil of iemand de Geest bezit of niet; het is het verschil tussen wel en niet kunnen beoordelen; tussen het beoordelen dat iets dwaasheid is of wijsheid. Men begrijpt iets wat voordien nooit begrepen werd, al kunnen anderen je niet meer goed volgen.
Het treurige is dat christenen het desondanks vaak met elkaar oneens zijn. Stott denkt dat dit verbetert als aan de volgende vijf voorwaarden wordt voldaan:
  1. Wij moeten het opperste gezag van de Schrift aanvaarden. De kerken die dat doen, zijn het naar de mening van Stott voor 90% met elkaar eens. Veel scheiding ontstaat wanneer kerken aan tradities of maatschappelijke opvattingen evenveel gewicht toekennen als aan de Schrift zelf.
  2. Wij moeten bedenken dat het belangrijkste doel van de Schrift is om te getuigen dat Jezus Christus redder van zondaars is. Als het gaat om de fundamentele waarden van Christus en zijn verlossingswerk is de Schrift helder. Over ander, minder belangrijke zaken, moeten we elkaar ruimte geven.
  3. We moeten solide uitgangspunten ontwikkelen om de Bijbel te interpreteren. Het zal blijken dat de Schrift ons de juiste richting opstuurt.
  4. We moeten de Schrift gezamenlijk bestuderen. We moeten dit vooral met mensen uit andere culturen doen. God wil dat zijn Woord in de gemeenschap wordt geïnterpreteerd, Paulus zij al dat wij “met alle heiligen” de lengte, breedte, hoogte en diepte van Gods liefde zouden kunnen begrijpen (Efeziërs 3:18)
  5. We moeten de Bijbelteksten benaderen met een nederig, ontvankelijk en onbevooroordeeld hart.
Gelet op de viervoudige rol van de Heilige Geest vraagt het van ons om de Schrift ook te onderzoeken samen met de Geest. Het Woord blijft een dode letter, tenzij de Geest het tot leven brengt.

Thema 4: De kerk en de drie-eenheid (1 Korintiërs 3)
In het derde hoofdstuk van Korintiërs komt Paulus terug op het verwijt van verdeeldheid en jaloezie. Volgens Paulus zouden de Korintiërs, als ze een juiste visie op de gemeente zouden hebben, ook een juiste visie op hun leiders hebben. Maar omdat ze nog niet echt volwassen geestelijke mensen zijn, kunnen ze ook de geestelijke waarheden niet doorgronden. Paulus maakt dat duidelijk door te zeggen dat de Korintiërs nog niet toe zijn aan vast voedsel, maar aan melk. En melk is voedsel dat al door een ander verteerd is. Ook in de gemeentes vandaag zijn velen op zoek naar voorgekauwd voedsel, in plaats van steviger kost. Melk is de waarheid over verlossing, vast voedsel is het inzicht dat het hele christenleven op het kruis gebaseerd is en dat we dichter betrokken raken bij de volheid van de dingen die uit het kruis voortvloeien. Je kunt de volwassenheid echter ook meten aan het gedrag van mensen, en de Korintiërs waren afgunstig en jaloers. Hun gedrag was werelds en vleselijk, niet geestelijk.
Christelijke leidinggevenden van nu zouden het als hun doel moeten zien om iedereen tot volwassenheid in Christus te brengen, zoals Paulus het ook formuleerde (Kolossenzen 1:28-29).
Het verwijt dat de Korintiërs een foute visie op de kerk hebben wordt toegelicht aan de hand van drie metaforen van de gemeente.
  1. Gods akker (1 Korintiërs 3:5-9b). Paulus benadrukt dat de Korintiërs door dienaren tot geloof waren gekomen (zij hoefden niet in de dienaren te geloven en hadden ook niet van hen het geloof ontvangen). In plaats van dienaren op te hemelen, zoals de Korintiërs deden, benadrukt Paulus hun nederige status: deze mensen waren instrumenten, zij waren slechts tussenpersonen en ze deden alleen maar wat de Heer hen opdroeg. In de taken komt dit tot uitdrukking: voor een goede oogst moet gezaaid worden, water worden gegeven en het zaad moet uitspruiten. Zaaien en besproeien is niet ingewikkeld en vereist geen vakkennis, maar het is de groeikracht die relevant is, en die komt van God. Op Gods akker (de kerk) zijn Gods daden het allerbelangrijkst. God verdeelt het werk dat gedaan moet worden, Hij geeft de wasdom en Hij beloont de arbeiders. Aan de leidinggevenden komt geen eer toe, zij ontvangen hun beloning later. Het is onverstandig een concurrentiestrijd te laten ontstaan.
  2. Gods bouwwerk (1 Korintiërs 3:9b-16). Ook in deze metafoor geeft Paulus aan wat het betekent om medewerkers in dienst van God te zijn. Het gaat om een samenwerkend team dat een gemeenschappelijk doel nastreeft. Van een bouwwerk is het fundament cruciaal, en dat is de gekruisigde Christus. Paulus heeft die verkondigd. Anderen bouwen daarop verder. Deze bouwers moeten wel opletten hoe zijn bouwen, want zij moeten het fundament met rust laten dat er al ligt: Jezus Christus zelf. Verder moeten zij rekening houden met het soort materiaal waarmee gebouwd wordt: de waarachtige christelijke leer die onveranderd zal blijven bij de dag des oordeels (goud, zilver en edelstenen) of de leer van valse profeten en wereldse wijsheid (gesymboliseerd door goedkope materialen die snel stuk gaan).
    Het standpunt van Stott is dat als hier wordt gesproken van redding “als door vuur heen”, dat dit niet gaat om de gelovigen (en dus niet naar het vagevuur verwijst), maar wijst op leraren en mensen die kerkelijk onderricht geven. Als zij bouwen met goedkope materialen, betalen zij daarvoor de prijs maar ze worden zelf gered. Het werk van de christelijke bediening van onderricht kan de kerk zegen brengen of schade, niet alleen op aarde maar voor eeuwig.
  3. Tempel van God (1 Korintiërs 3:16-17). Een tempel is natuurlijk ook een bouwwerk, maar hier heeft Paulus het heilige der heiligen voor ogen. Het belang van de Tempel in het Oude Testament was dat God daar woonde. In het Nieuwe Testament woont God in de individuele christen (1 Korintiërs 6:19), de plaatselijke gemeente (1 Korintiërs 3:16) en de wereldwijde kerk (Efeziërs 2:22). Vanwege het geheiligde karakter van de gemeente mag deze op geen enkele wijze onteerd worden (door afgunst, rivaliteit, valse leer of onzedelijkheid), in feite is dit heiligschennis. De gemeente te gronde richten is een ernstige overtreding, een actie tegen God.
In deze beschrijvingen van de gemeente wordt de drie-eenheid zichtbaar: zij heeft haar bestaan en groei aan God de Vader te danken, zij is gebouwd op het fundament van God de zoon en zij wordt bewoond door God de Heilige Geest. In de gemeenschap komt de drie-eenheid samen.
Voor de Korintiërs geldt dat zij in plaats van trots op hun leiders te zijn, zich moeten realiseren dat deze leiders aan hen toebehoorden. Maar uiteindelijk is er geen onderscheid tussen mensen in de kerk. Leiders mogen ook eigenlijk niet spreken van “mijn kerk”, “mijn mensen” of “mijn gemeente”. Zij zijn namelijk hun dienaars, en niet andersom. De kerk is geen menselijke organisatie, met mensen aan de top die hun gezag laten gelden en op een voetstuk worden geplaatst.

Thema 5: Modellen voor de bediening (1 Korintiërs 4)
Nadat Stott in de eerst vier thema’s het fundament heeft gelegd voor zijn visie op christelijk leiderschap, gaat hij in het laatste deel van het boek de diepte in. Over de rol en de bediening van leidinggevenden – voorgangers, ouderlingen, priesters, profeten, enzovoort – bestaat veel verwarring. Eigenlijk is de kerk steeds heen en weer geslingerd tussen klerikalisme (waarbij de geestelijkheid op een voetstuk wordt geplaatst) en anti-klerikalisme (waarbij ze er weer af worden gegooid). De laatste jaren hebben veel kerken de visie van de bediening voor elk gemeentelid overgenomen. Dat stelt op nieuw vragen over de rol van de geestelijkheid.
In het vierde hoofdstuk van de eerste Korintiërsbrief werkt Paulus vier wezenlijke kenmerken van het bedieningswerk uit. Omdat hij de gemeente roept hem na te volgen (1 Korintiërs 4:16) zijn deze kenmerken van toepassing op allen die in de bediening staan.
  1. Pastors zijn de dienaren van Christus (1 Korintiërs 4:1a), het zijn de ondergeschikten (letterlijke vertaling) van Christus. Essentieel voor elk christelijk leiderschap is een ootmoedige, persoonlijke relatie met Jezus Christus, uitgedrukt in dagelijks gebed en plichtsvervulling in liefde voor Hem. Bovendien zijn leidinggevende verantwoording schuldig aan Christus voor hun bediening. Dat de Heer over de bediening oordeelt is enerzijds een troost (oordelen van mensen raken je niet c.q. er is uitstel van oordeel) en anderzijds vraagt dit heel veel (want Christus stelt hoge eisen).
  2. Pastors zijn de rentmeesters van de openbaring (1 Korintiërs 4:1b-2), over “de geheimen van God” oftewel de waarheden over Christus, zijn verlossingswerk en het opnemen van Joden en niet-Joden in het Lichaam van Christus. Praktisch betekent dit dat het gaat om het leren wat in de Heilige Schrift aan leidinggevenden is toevertrouwd, niet om de boodschap die wordt uitgedragen te bedenken of te formuleren. Er zijn tegenwoordig veel ontrouwe rentmeesters in de kerk, zij wijzen het gezag van het Woord af, bestuderen het onvoldoende, wijzigen de betekenis ervan of leven in ongehoorzaamheid aan het Woord. Er is geen vrijheid om de boodschap op eigen houtje uit te dokteren of uit te kiezen.
  3. Pastors zijn het schuim der aarde (1 Korintiërs 4:8-13). Paulus vergelijkt de bediening met een arena, waarin mensen voor de wilde dieren worden geworpen, met een keuken (uitvaagsel = vuilnis op de grond of in de kookpot) en met uitschot dat uit de maatschappij wordt verwijderd. Paulus beschrijft vervolgens de ontberingen die hij heeft moeten doorstaan en hij sluit in feite aan bij de woorden van Jezus “Wee jullie, wanneer alle mensen lovend over je spreken”(Lucas 6:26). Stott waarschuwt dan ook voor het brengen van een ‘populair’ evangelie, met compromissen. Het evangelie is echter aanstootgevend, omdat het kosteloos het eeuwige leven aanbiedt waar wij zelf geen bijdrage aan kunnen leveren (en dat ons trotse mensen tegen de borst), omdat het Jezus Christus als de enige weg aanbiedt (wat de mensen in onze pluralistische samenleving een doorn in het oog is) en omdat het vraagt om heilig leven (en dat eisenpakket is ons vaak te hoog). Het kruis is een struikelblok vanwege deze drie belemmeringen – het gratis geschenk, de exclusiviteit en de morele ethiek.
  4. Pastors zijn vaders van de kerkelijke familie (1 Korintiërs 4:14-21). Paulus stelt uiteindelijk de Korintiërs gerust, hij was hard en confronterend maar dat was omdat hij hun vader was, waarmee hij zijn liefde voor de Korintiërs uitdrukt. De belangrijkste eigenschap van christelijk leiderschap is zachtmoedigheid, we moeten liefhebbende vaders en moeders van de kerkelijke familie zijn en geen onverbiddelijke handhavers van tuchtmaatregelen (hoewel er wel plaats voor tucht moet zijn).
In de concluderende bladzijden van dit boek stelt Stott de vraag “Christus of de cultuur?”. Hij stelt vast dat bij veel leiders in de christelijke gemeenschap de alleenheerschappij de boventoon voert en dat er weinig liefde en zachtmoedigheid is. Ons leiderschapsmodel richt zich te vaak naar de ontwikkelingen in de maatschappij, maar die cultuurmodellen zijn onverenigbaar met de opdracht van dienstbaarheid die Jezus leerde en voorleefde. De gemeenschappelijk noemer is steeds nederigheid: nederigheid tegenover Christus (wiens ondergeschikten wij zijn), tegenover de Schrift (waar we rentmeesters van zijn), tegenover de wereld (waar we tegenwerking van kunnen verwachten) en tegenover de gemeenteleden (die we moeten liefhebben).

Al met al een indrukwekkend boek van Stott, dat dwingt tot herlezen om het te doorgronden en dat het verlangen tot het uitoefenen van de bediening op de door hem geanalyseerde wijze losmaakt.

Sneuper


Christelijk leiderschap – John Stott. Uitgeverij Novapres, ISBN 9063182732

Geen opmerkingen: